Zondagochtend moesten we voetballen. Toen we aan de tweede helft wilden beginnen, kon dat niet, want er rende een roedel F’jes en E’tjes om ons veld heen, hevig hijgend en puffend. Onze scheidsrechter wachtte tot de kinderen eindelijk waren uitgerend. Dat duurde even, want drie hele rondjes om een voetbalveld rennen is best ver voor een kind van acht jaar: ongeveer vergelijkbaar met een halve marathon.

De jeugdtrainer stond ze aan te moedigen, riep dat ze wat sneller moesten lopen, en dat ze potverdimme moesten volhouden. Buiten adem kwamen de laatste jongetjes over de streep, strompelend. Daarna ging de training beginnen.

Op zaterdagochtenden zie ik vrij veel F’jes en E’tjes in actie, want mijn zoon is negen en hij zit op voetbal. Wat me al jaren opvalt: de vele Playstation-jeugdtrainers, die hun spelertjes trachten te besturen alsof het computerpoppetjes zijn.

Hun mond doet dan dienst als control pad. ,,Iets naar links, Simon.’’ ,,Doordekken, Halil.’’ ,,Speel naar Pietertje!’’ ,,Gooi naar Mo.’’ ,,Schieten!’’ ,,Passen!’’ ,,Rennen!’’ ,,Doorlopen!’’ ,,Hou tegen!’’ ,,Pak ’m af!’’ ,,Naar voren!’’ ,,Terug!’’ ,,Inschuiven!’’ ,,Overspelen!’’

Ik snap dat enthousiasme, want dat is het vaak: oprechte bevlogenheid. Niets dan respect voor al die vrijwilligers, goedwillende vaders en toptrainers in spe. Trainers en ouders die zich gruwelijk misdragen langs de lijn: ik zie ze zelden tot nooit. Vrijwel iedereen is op zaterdagochtend goed van zin.

Maar toch, één hartgrondige hartenkreet: laat ze voetballen, die kleintjes. Laat ze dribbelen. Laat ze fouten maken. Laat ze los. Laat ze frummelen en rommelen. Laat ze gaan, met de bal aan de voet, op weg naar weet-ik-waar.

Dat is niet per se een particuliere wens. Iedereen die ook maar een beetje verstand heeft van kinderen en pupillenvoetbal, zegt hetzelfde: hou vaker je mond, coach. Gun die kinderen hun eigen intuïtie, hun eigen plezier, hun eigen spel.

Alleen dan kom je bij de kern van het voetbal zoals we dat vroeger op straat speelden, en alle Cruijffjes en Sneijdertjes met ons. Allemaal leerden ze het spel door het gewoon te spelen, door op avontuur te gaan, steeds opnieuw.

Tuurlijk, jeugdtrainers zijn er om kinderen te helpen, te stimuleren, te leren, te oefenen. Je kunt een kind van zeven best iets uitleggen natuurlijk, en een jaar later weer wat meer. Maar doe het vooral met mate. Als we ons in Nederland ergens in hebben verloren, dan is het in onze drang naar controle, naar voorgekookt voetbal. Naar vaste patroontjes die we er zelfs bij de jongste jeugd al in willen rammen, door kinderen continu te blijven vertellen wat ze moeten doen.

Als we ergens moeten beginnen om deze complexe voetbalcrisis te bezweren, dan is het bij de jongste jeugd. Niet door van alles met ze te willen, of door ingewikkelde ontwikkelplannen te schrijven. Juist niet, eerder het tegenovergestelde van dat.

Niks rondjes rennen zonder bal. Niks keurslijf. Niks looplijnen. Niks opdrachten en bevelen. Gewoon een bal, de opstelling – en voetballen tot je erbij neervalt.

Bron: AD, Sjoerd Mossou